Hoofdstuk 1 blz.12 Kolenbranders

  • In het spelvoorbeeld staat:


    Quote

    Meester: "Maar voordat jullie de volgende heuvel hebben bereikt,

    dringt de geur van verbrand hout diep door in jullie neuzen.“

    Hilbert: „Misschien een paar kolenbranders?“

    Geron: „Hmmm, zo dicht bij Alriksvoorde? Eigenlijk leven

    die dieper in het woud. En ik betwijfel of die geur tot hier doordringt.“


    Ik struikel tijdens het lezen. Voor mij lijkt het alsof Geron zegt dat er kolenbranders diep in het woud leven, terwijl ik denk dat een kolenbrander zoiets is als een houtkachel maar dan met kolen. Nu zie ik in het woordenboek dat een kolenbrander een beroepsnaam is "per­soon wiens be­roep het is houts­kool te bran­den".

    Na onderzoek blijkt de dialoog te kloppen. Maar blijf ik met een paar vragen achter.


    is de term "kolenbrander" voor andere wel meteen duidelijk, of lezen meer mensen dat het een soort brander/kachel is?

    Is het logisch dat het uitoefenen van het vak van kolenbrander diep in het woud plaatsvindt?


    Dat ik struikel wil niet zeggen dat er ook maar iets aangepast moet worden, de dialoog is namelijk correct. Maar als er meer mensen zijn die aan iets anders denken bij kolenbrander dan misschien toch overwegen...

  • Als ik "Kolenbrander" lees denk ik aan: 6

    1. per­soon wiens be­roep het is houts­kool te bran­den (5) 83%
    2. een soort kachel, verbrander (1) 17%

    Snel een kleine enquête:

  • Op zich wordt de betekenis duidelijk door de context: de volgende zin maakt met 'leven die' zeer duidelijk dat het over mensen gaat.

  • Kolenbrander beschreven als beroep/persoon komt overigens al in één van de oer-avonturen van OdM in 1985 voor, inclusief illustratie: in "Het Woud, waaruit geen terugkeer mogelijk is".


    Het was inderdaad een beroep dat wat dieper in het bos beoefend werd. Ik vermoed wegens de eventuele geurhinder, misschien ook brandgevaar, en ook omdat de bossen/bomen dichter bij nederzettingen misschien voor andere doeleinden nodig waren. En ook omdat er doorgaans akkers en weiden tussen de dorpen en de grotere stukken bos (nodig voor kolenbranden) lagen.